Vandaag kondigt de Vlaamse regering aan dat er vanaf volgend schooljaar een taalscreening komt voor kinderen van de derde kleuterklas. Kleuters met een taalachterstand kunnen op die manier gedetecteerd worden en gedurende de rest van het jaar extra lessen krijgen.

 Ik hou hierbij een vurig pleidooi om niet enkel te focussen op het afnemen van taalscreenings. Meten is weten en screening is absoluut een belangrijke tool om te weten waar we staan. Toch zullen kleuteronderwijzers vaak heel goed kunnen inschatten wie van hun kleuters goed zal scoren op de screening en wie niet. Een sterk beleid rond taalachterstand staat of valt dus niet met een taalscreening. De taalscreening kan vermoedens bevestigen en eventueel kracht bijstellen om de taalachterstand aan te pakken. Maar een alomvattende oplossing zijn die taalscreenings niet. Wat veel belangrijker is, is de vraag hoe we kinderen van jongs af kunnen onderdompelen in een taalrijke omgeving.

Taalrijke omgeving

Ons beleid moet veel meer de focus leggen op taalrijke omgevingen en dit al vanaf de kinderopvang. Kinderen moeten opgroeien in een omgeving waarin ze constant met taal geconfronteerd worden. Net door veel interactie bij spelen, leren maar ook tijdens dode momenten, pikken kleuters taal op. Kleuteronderwijzers, maar ook kinderbegeleiders en leerkrachten in de lagere school, voelen zich nog soms onzeker over hoe ze leerlingen met een beperkte taalvaardigheid extra kunnen ondersteunen. Ze hebben vaak concrete vragen hoe ze best de ondersteuning vorm geven. Ze zijn zich al vaak heel bewust over het belang van hun woorden en hun woordenschat, maar kunnen zeker nog stimulerend werken naar de interactie tussen de kleuters bijvoorbeeld.”

 Voor mij mag dit gerust verder gaan dan louter de schoolomgeving. Een taalrijke omgeving is niet alleen de taak van een school. We zien dat kinderen die opgroeien in een taalrijke thuis- of opvangomgeving ook veel beter gaan scoren op taalvaardigheid. Die focus op een taalrijke omgeving zou dus evengoed moeten gelden voor de gezinnen thuis, de kinderopvang,... Dit zou een inbedding kunnen krijgen in het Inburgeringsdecreet, waar ook een luik onderwijs in vervat zit. Ik denk hierbij aan structurele samenwerkingen met Kind & Gezin of met lokale besturen, waarbij gezinnen bewust kunnen gemaakt worden van het belang van taalrijke omgevingen.

 Eerder was de CD&V-fractie ook bezorgd over de taalscreening die als een soort van ‘toelatingsproef’ dienst zou doen. Wij zijn met CD&V altijd pleitbezorger geweest om de taalscreening af te nemen bij het begin van de derde kleuterklas, zodat er nog voldoende tijd is om te remediëren en zodat de taalscreening geen dienst kan doen als vermomde toelatingsproef voor het eerste leerjaar.