In een bijdrage in De Standaard van 22 oktober jongstleden liet dhr.  Fabré zich nogal laatdunkend uit over de ‘stielbedervers’ in het onderwijs, zoals pedagogische begeleiders of directeurs. Andere kritieken komen erop neer dat de dalende kwaliteit van het onderwijs niet kan aangepakt worden omdat de vrijheid van onderwijs maakt dat de overheid niet zou mogen ingrijpen. Er iets aan doen is volgens hem onmogelijk en dat omwille van de ‘achterhaalde vrijheid van onderwijs’. Vroeger op de week had ook een liberale volksvertegenwoordiger diezelfde vrijheid van onderwijs al op korrel genomen en een pleidooi gehouden voor één neutraal net. Als het op onderwijs aankomt, zijn vrijheden kennelijk aan liberalen niet besteed en dreigt met verstaatsing ook verschraling.

Maar klopt dat wel? Is de vrijheid van onderwijs achterhaald en het probleem? De oplossing voor veel van de huidige onderwijsproblemen kan net gevonden worden in méér vrijheid van onderwijs, eerder dan deze als ‘achterhaald’ weg te zetten. Het is net eerder aangewezen de vrijheid van en in ons onderwijs uit te breiden. We moeten het terrein zuurstof geven, eerder dan alles in regels te vatten.

Neem nu de bekwaamheidsbewijzen. Vandaag bepaalt de overheid wie welk vak mag geven. Daar waar het competentiedenken in veel bedrijven al sterk ingeburgerd is en organisaties in de ‘war for talent’ alles uit de kast kunnen halen, blijft onderwijs vasthouden aan een ‘telefoonboek’ van bekwaamheidsbewijzen dat directies eerder afremt dan mogelijkheden biedt. Het spreekt voor zich dat we bekwame mensen voor de klas willen, maar moeten we het debat niet voeren of een telefoonboek daar anno 2021 nog wel de beste garantie voor is? Zou wat ruimte, wat meer vrijheid in onderwijs, zodat directies vrijer beslissingen kunnen nemen, ook hier niet een antwoord kunnen zijn op het lerarentekort? De suggesties die de minister van onderwijs deed in het actualiteitsdebat over het lerarentekort over zij-instromers, LIO-banen, de mogelijkheid om versneld pedagogische bekwaamheid te verwerven zijn prima. Maar vanuit CD&V willen we de discussie ook ten gronde voeren. Laat ons verder gaan dan wat punctuele maatregelen en een écht lerarenpact uitwerken.

Of neem het geciteerde voorstel over één neutraal net. Wat is voor kandidaat-leraren het meest aantrekkelijk? Een monopolist met één pedagogisch project of de kans je in te zetten voor projecten die dicht aansluiten bij wie je bent, bij hoe je in het leven staat? Voor CD&V lijkt het tweede model alvast veel aantrekkelijker dan een model waarbij je een deel van je persoon(lijkheid) moet achterlaten wanneer je de schoolpoort binnenstapt…

Of neem de eindtermen en de ‘Vlaamse toetsen’. Het spreekt voor zich dat de overheid erover moet waken dat de minimale inhouden van De Panne over Antwerpen tot Maaseik dezelfde zijn. Maar het moet gaan om minimale inhouden. De memorie van toelichting bij de eindtermen tweede en derde graad stelt meer dan terecht dat ambitieuze en heldere eindtermen van leraars geen uitvoerders mogen maken, maar moeten inspireren om verder te gaan en excellentie voor alle leerlingen na te streven. Nu we nog nieuwe eindtermen moeten maken voor het basisonderwijs en nu de praktijkcommissie voor de eindtermen in het secundair onderwijs aan de slag is, moeten we ons dan ook niet de vraag stellen hoe we zorgen dat leraren méér kunnen en mogen doen? Idem met de Vlaamse toetsen. Scholen een extra meetinstrument bezorgen waardoor ze zien waar ze staan, is uiteraard een plus. Maar een meetinstrument dat enkel het minimum meet en waardeert, stimuleert geen excellentie. Het draagt in zich zelfs een kiem van juridische discussies wanneer een leerling slaagt op de test, maar de klassenraad toch anders zou oordelen. Graag ook hier een zorgvuldig debat over hoe we van die Vlaamse toetsen een instrument van échte kwaliteitsborging kunnen maken, ervan vertrekkend dat de eerste verantwoordelijke voor de kwaliteit van een school, de school zélf is. 

De minister van onderwijs zette een commissie Beter Onderwijs aan het werk. De resultaten daarvan zullen eerstdaags bekend gemaakt worden. Hopelijk kon ze ‘vrank en vrij’ nadenken en geeft ze ook suggesties voor oplossingen voor  problemen zoals het lerarentekort en een aanzet tot een grondig maatschappelijk debat.

Toen in 1831 de Belgische Grondwetgever het artikel schreef over de vrijheid van onderwijs, deed hij dat, in de woorden van Johan Lievens in ‘De vrijheid van onderwijs’, “als reactie op het activistisch en centralistisch onderwijsbeleid van de Nederlandse, Franse en Oostenrijkse heersers[1]. Laat ons niet in dezelfde val trappen om alles centraal te willen regelen, maar laat ons de vrijheid omarmen en zien welke oplossingen ze ook vandaag, in de 21st eeuw, in zich draagt.

[1]   zie bv. De vrijheid van onderwijs.indb (intersentia.be) blz. ix