De voorbije weken kwamen er veel verontwaardigde reacties over busritten voor leerlingen uit het buitengewoon onderwijs die zouden worden afgeschaft. Terecht. “Maar het is nog veel schrijnender dat steeds meer ouders en leerlingen zelfs niet eens een gepaste school hebben. Zij maken zich geen zorgen over een bus: hun probleem is veel fundamenteler,” zo begon Vlaams Parlementslid Loes Vandromme (cd&v) haar tussenkomst tijdens een debat over capaciteitstekorten in het buitengewoon onderwijs.
Volgens Vandromme toont de situatie aan dat het huidige systeem steeds vaker op zijn grenzen botst. “We moeten daarom maatregelen nemen op korte en op langere termijn. Op lange termijn is het uitkijken naar welke inzichten de strategienota ‘Scholen voor iedereen’ brengt en hoe de pioniersscholen die in september van start kunnen gaan, zullen uitgroeien.“
Maar om snel te schakelen pleit het parlementslid om maatregelen te nemen die meer flexibiliteit toelaten en mogelijkheden creëren om gewoon en buitengewoon onderwijs naar elkaar te laten toegroeien. "Buitengewoon onderwijs blijft noodzakelijk voor heel wat leerlingen,” zei het parlementslid daarover. “Maar we moeten wel creatief en flexibel genoeg zijn om beide systemen beter op elkaar af te stemmen en zo meer kansen te creëren voor kinderen die vandaag uit de boot dreigen te vallen. Nochtans zijn er zeker scholen buitengewoon en gewoon onderwijs die extra inspanningen willen doen en nauwer willen samenwerken, maar vandaag botsen ze nog op hindernissen." In dat kader verwees Vandromme naar de recent goedgekeurde maatregel binnen OD XXXVI (onderwijsdecreet 36), die het mogelijk maakt om bijkomende plaatsen te creëren voor leerlingen met een verstandelijke beperking (type 2). Die maatregel biedt scholen meer flexibiliteit en bijkomende financiering om sneller in te spelen op de stijgende vraag.
"Met OD XXXVI hebben we aangetoond dat extra flexibiliteit wel degelijk mogelijk is. Dat is een belangrijke stap vooruit voor type2-leerlingen. Maar ik hoor signalen uit het werkveld die aantonen dat de druk ook bij andere types toeneemt. De vraag stelt zich bovendien ook of die drempel van zeven leerlingen de juiste keuze is. In een context van plaatstekorten kan ook een kleiner aantal extra plaatsen al een groot verschil maken voor kinderen en hun gezinnen.
Daarom vroeg Vandromme aan de minister of gelijkaardige uitbreidingsmogelijkheden niet zo snel mogelijk kunnen worden onderzocht voor andere types binnen het buitengewoon onderwijs en of de huidige voorwaarde dat scholen pas vanaf zeven extra leerlingen aanspraak kunnen maken op bijkomende middelen kan herbekeken worden. “Iedere plaats telt om het leerrecht van kinderen te garanderen en thuiszitten te voorkomen, daarom moeten we bereid zijn om bijkomende maatregelen te bekijken. Vanuit cd&v heeft de minister alvast alle steun om snel te schakelen. We mogen niet wachten tot die tekorten nog groter worden," aldus het parlementslid.