Bij het begin van het schooljaar zal niet aan elke schoolpoort een schooldirecteur staan. Uit cijfers van VDAB blijkt de arbeidsmarkt voor schooldirecteurs bijzonder krap: in het voorbije jaar ontving de Vlaamse arbeidsbemiddelaar tot 690 vacatures voor leidinggevenden in een onderwijsinstelling. Eind augustus 2026 stonden daarvan nog 34 vacatures open. Uit een bevraging van cd&v bij scholen in heel Vlaanderen blijkt bovendien dat er iets schort: directeurs dragen een bijzonder zwaar takenpakket met beperkte ondersteuning. “Het is onverantwoord dat zo veel scholen moeten starten zonder (ervaren) directeur. In combinatie met een lerarentekort is dat een directe bedreiging voor de onderwijskwaliteit in Vlaanderen. Het is hoog tijd om de afspraken uit het regeerakkoord en eerdere cao’s effectief uit te voeren,” zegt Vlaams parlementslid en onderwijsexperte Loes Vandromme, die de bevraging organiseerde.
De cijfers van VDAB zijn zeer duidelijk: er schort iets met het aantal schooldirecteurs in Vlaanderen. De spanningsindicator van VDAB maakt die krapte pijnlijk zichtbaar. Die indicator geeft een theoretische verhouding weer tussen het aantal werkzoekenden en de vacatures. Hoe lager het cijfer, hoe krapper de arbeidsmarkt. Voor leidinggevenden in onderwijs bedraagt de spanningsindicator in Vlaanderen 3.29. In West-Vlaanderen is dat amper 1,90. De problematiek is daar dus bijzonder precair. Een eigen bevraging die Vlaams Parlementslid en onderwijsexperte Loes Vandromme (cd&v) organiseerde bij scholen in heel Vlaanderen bevestigt dat beeld. Bijna 500 schooldirecteurs namen deel aan de bevraging. De antwoorden tonen niet alleen dat er nog steeds veel vacatures en wissels zijn, maar ook dat heel wat directeurs een bijzonder zwaar takenpakket dragen met beperkte ondersteuning. “De cijfers van VDAB tonen de krapte op de arbeidsmarkt, mijn eigen bevraging laat zien wat die krapte op het terrein concreet betekent. Er zijn nog steeds veel nieuwe directeurs, er zijn scholen die het schooljaar zonder directeur starten en in heel wat scholen is de directeur eindverantwoordelijk voor een bijzonder breed takenpakket. Het is hoog tijd om de afspraken uit het regeerakkoord en eerdere cao’s effectief uit te voeren,” vindt Loes Vandromme.
Bevraging: “Voor iedere school een directeur”
De resultaten uit de bevraging tonen dat er nog steeds heel wat nieuwe directeurs starten. 6 procent van de scholen begint het schooljaar met een volledig nieuwe directeur, 6 procent werkt met een vervangende directeur. In 62,4 procent van de scholen is de directeur al meer dan vijf jaar in functie. Twee basisscholen uit de bevraging hadden vlak voor 1 september nog geen directeur. Bovendien is er in heel wat scholen weinig continuïteit: 30 procent kende de voorbije tien schooljaren drie of meer directeurswissels, 3,6 procent zelfs meer dan vijf. In 27 procent van de scholen waren er geen wissels de voorbije tien jaar.
“Een directeursfunctie is vandaag bijzonder veeleisend. Ervaring is dan ook heel waardevol. We moeten nieuwe directeurs kansen geven, maar tegelijk zorgen voor voldoende ondersteuning en begeleiding én voor meer stabiliteit,” zegt Vandromme.
Die ondersteuning blijft zeker een aandachtspunt. 38,3 procent van de directeurs is eindverantwoordelijk voor het volledige takenpakket. Slechts 30 procent beschikt over een beleidsmedewerker, vaak bovendien slechts voor enkele uren per week.
“We vragen van directeurs steeds meer managementvaardigheden, maar wie verantwoordelijkheid draagt over pedagogiek, personeel, financiën, organisatie en infrastructuur, heeft ook voldoende ondersteuning nodig. Met enkele uren beleidsmedewerker per week vang je die verantwoordelijkheid niet op.”
Regeerakkoord
Het Vlaamse regeerakkoord vertrekt zelf vanuit de vaststelling dat de job van schooldirecteur sterk veranderd is. Letterlijk staat er: ‘Van schooldirecteurs verwachten we steeds meer managementvaardigheden. Een pedagogisch bekwaamheidsbewijs voor alle directies vanaf een bepaalde schoolgrootte is niet noodzakelijk en dus niet langer vereist. Wel moet er binnen een directieteam, in functie van de evaluatie van leraren en ander pedagogisch personeel, minstens één iemand beschikken over een pedagogisch bekwaamheidsbewijs.’
“Dat is een belangrijke passage,” zegt Vandromme. “We erkennen daarmee dat een schooldirecteur vandaag veel meer nodig heeft dan alleen pedagogische expertise. Zeker in grotere schoolorganisaties zijn ook financiële, organisatorische, personeelsmatige en infrastructurele managementcompetenties noodzakelijk.” Uit cijfers die het parlementslid eerder al opvroeg, blijkt dat vandaag al nagenoeg alle directeurs in het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs eerst verschillende jaren voor de klas hebben gestaan vooraleer ze een coördinerende rol opnemen. “Die pedagogische ervaring is een grote meerwaarde. Maar in een groter directieteam lijkt het me niet noodzakelijk dat iedere directeur een pedagogisch diploma heeft. Net door verschillende competenties te combineren, kan je een sterker directieteam bouwen,” aldus Loes Vandromme.
Master in de bedrijfseconomie
Een recente concrete case van een schoolbestuur maakt dat duidelijk. “Een vzw met vier scholen wil haar directieteam reorganiseren. Een nieuwe directeur zou zich specifiek bezighouden met de secundaire processen: financiën, bouwdossiers en het niet-onderwijzend personeel. Daardoor kunnen andere directies zich sterker concentreren op de pedagogische werking. De ideale kandidaat voor die functie is een master in de bedrijfseconomie, maar heeft geen pedagogisch diploma. “Dat is toch precies het soort profiel dat we zouden moeten kunnen aantrekken? Iemand die de financiële organisatie, infrastructuur en het personeelsbeleid van een scholenorganisatie professioneel kan aansturen, hoeft daarom geen pedagogisch diploma nodig.” Vandaag dreigt deze kandidaat echter onder het diploma ‘andere’ te worden aangesteld, met een veel lagere verloning. “Dat kunnen we ons in een krappe arbeidsmarkt echt niet veroorloven. Als we externe profielen willen aantrekken, moeten we hen ook een aantrekkelijk en correct statuut kunnen aanbieden,” vindt Vandromme.
Gemaakte afspraken nakomen: lerarenloopbaanpact
Intussen zit de minister van onderwijs al geruime tijd samen met de sociale partners over het lerarenloopbaanpact. “Dat overleg is belangrijk en ik verwacht daar veel van, maar het kan niet de bedoeling zijn om maatregelen die al duidelijk in het regeerakkoord staan, uit te stellen tot het volledige lerarenloopbaanpact klaar is. De noden op het terrein zijn vandaag al bijzonder groot.” Dat geldt trouwens ook voor de loonspanning tussen directies en leerkrachten. Daarover werden in de vorige legislatuur al afspraken gemaakt met de onderwijsvakbonden. Het was de bedoeling om het loonverschil tussen directies en leerkrachten in drie stappen significant te vergroten. De laatste stap, die moest leiden tot een totale loonspanning van 35 procent, werd omwille van de noodzakelijke besparingen on hold gezet. Die laatste stap moet nu zo snel mogelijk worden uitgevoerd vindt Vandromme. “Het gaat namelijk niet om een nieuwe eis, maar om een eerder gemaakte afspraak die vastgelegd werd in een CAO.”
“Wie sterke scholen wil, moet investeren in sterke directies”
“Wie sterke scholen wil, moet investeren in sterke directies”, besluit Vandromme. “Dat betekent niet alleen dat we meer kandidaten moeten zoeken, maar ook dat we het beroep aantrekkelijker moeten maken en ruimte moeten geven aan verschillende profielen. In het regeerakkoord zetten we daar al een belangrijke stap. De eerdere afspraken over de loonspanning liggen er eveneens. De minister moet er nu vooral zorgen dat die afspraken uitgevoerd worden. Onze leerkrachten verdienen een school met een sterke kapitein aan het hoofd, alleen zo kunnen zij hun job op een goede manier doen. Alleen zo zullen we de onderwijskwaliteit in ons Vlaams onderwijs op kunnen krikken.”