Twee op drie scholen die in het schooljaar 2024-2025 een pedagogische doorlichting van de onderwijsinspectie kregen, hadden al 10 jaar of langer geen doorlichting meer gehad. Dat blijkt uit cijfers die Vlaams Parlementslid Loes Vandromme (cd&v) opvroeg bij de minister van Onderwijs. “Het uitgangspunt van de Vlaamse onderwijsinspectie is nochtans dat elke onderwijsinstelling minstens één keer om de zes jaar zou moeten worden doorgelicht. De cijfers tonen echter dat een groot aantal scholen al veel langer op een pedagogische doorlichting wacht,” zegt Loes Vandromme. “Die zesjarige doorlichtingscyclus moeten we niet zomaar loslaten, maar we moeten het wel haalbaar houden voor alle partijen.” Het parlementslid pleit daarom ook voor voldoende capaciteit en een deftige planning zodat zowel scholen als de inspectie weten waar ze aan toe zijn.
Pedagogisch doorlichtingen in schooljaar 2024-2025
Tijdens het schooljaar 2024-2025 voerde de Vlaamse onderwijsinspectie in totaal 621 pedagogische doorlichtingen uit bij onderwijsinstellingen. In bijna de helft van de inspecties (363 doorlichtingen of 14% van alle Vlaamse basisscholen gewoon onderwijs) ging het om basisscholen gewoon onderwijs. Bij 274 van deze scholen, was het 10 jaar of langer geleden dat er nog een pedagogisch inspectiebezoek was geweest.
De inspectie ging ook langs in 114 scholen voor gewoon secundair onderwijs (of 11% van alle secundaire scholen gewoon onderwijs in Vlaanderen). 42 van deze scholen hadden al 10 jaar of meer geen doorlichting meer gehad.
Samen gaat het dus om 316 scholen in het gewoon basis- en secundair onderwijs (of 66 procent, ongeveer twee op drie van de geïnspecteerde scholen) die al minstens tien jaar niet meer werden doorgelicht.
|
Periode sinds vorige doorlichting
|
Gewoon basisonderwijs
|
Gewoon secundair onderwijs
|
|
Minder dan 5 jaar
|
46
|
11
|
|
5 tot 10 jaar
|
43
|
61
|
|
10 jaar of meer
|
274
|
42
|
|
Totaal
|
363
|
114
|
Corona en modernisering secundair onderwijs als verklaring?
De minister van Onderwijs wijst in haar antwoord op een parlementaire vraag van Loes Vandromme onder meer naar de coronaperiode als verklaring voor de achterstand. Tijdens de pandemie vonden geen reguliere doorlichtingen plaats. Wel waren er telefonische contacten en ondersteunende bezoeken.
Ook tijdens de gedoogperiode in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs vonden doorlichtingen plaats, maar die hadden volgens de minister geen juridische consequentie.
Inmiddels zijn er een aantal adviseringsopdrachten geschrapt. Zo zou de onderwijsinspectie zich meer kunnen focussen op haar kerntaak: het doorlichten van onderwijsinstellingen.
“Het is begrijpelijk dat corona een impact heeft gehad op de planning van de onderwijsinspectie. Maar de cijfers maken ook duidelijk dat we waakzaam moeten blijven. Een doorlichting is geen formaliteit: ze geeft scholen een spiegel en is een belangrijk instrument om de onderwijskwaliteit te bewaken en te versterken. Als scholen tien jaar of langer niet meer aan een volledige doorlichting zijn onderworpen, moeten we ons afvragen of de huidige capaciteit en planning volstaan,” stelt Loes Vandromme.
“De minister wil de capaciteit en planning van de onderwijsinspectie blijven opvolgen en plant een evaluatie in 2030. Dat is goed, maar we mogen niet wachten tot dan om vast te stellen dat de achterstand te groot is. We moeten vandaag al weten of de onderwijsinspectie voldoende mensen en middelen heeft om haar kerntaak waar te maken en bijsturen als dat nodig blijkt.”
Intussen dient de onderwijsinspectie sterker in te zetten op risicoanalyses. Op die manier wil ze vooral scholen bezoeken waar de nood aan opvolging het grootst is. Die risicogerichte aanpak kan volgens Vandromme een goede aanvulling zijn op een vaste doorlichtingscyclus, maar mag niet betekenen dat scholen structureel jarenlang uit beeld verdwijnen. “Risicogericht werken is zinvol. Scholen waar ernstige signalen zijn, moeten uiteraard sneller worden opgevolgd. Maar daarnaast moeten we ook voldoende zicht houden op de brede onderwijskwaliteit. Een systeem waarbij sommige scholen jarenlang geen volledige doorlichting krijgen, kan niet de norm worden.”
Vandromme verwijst tot slot naar de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs waar de onderwijsinspectie nu een gedoogperiode voor hanteert: tot en met het schooljaar 2030-2031 zal de inspectie focussen op de kwaliteit van de implementatie van de nieuwe minimumdoelen, niet of die al dan niet bereikt worden. “Met de feedback uit deze bezoeken kunnen scholen verder aan de slag om de uitrol van deze minimumdoelen op een kwaliteitsvolle manier te implementeren. Ook voor de pedagogische begeleidingsdiensten is deze info zeer belangrijk. Zo kan de werking van de kwaliteitsdriehoek tussen scholen, inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten verder versterkt worden,” besluit Loes Vandromme.