Het aantal Vlaamse basisscholen dat de deuren sluit of een genadejaar ingaat, neemt dit schooljaar fors toe. De reden? Dalende geboortecijfers in bepaalde regio’s. Volgens Vlaams parlementslid Loes Vandromme (cd&v) mag dit het leerrecht van leerlingen in dunbevolkte regio’s niet in het gedrang brengen. Bovendien zijn dorpsscholen belangrijk voor de sociale cohesie en samenhang in landelijke gebieden. “Het leerrecht van een kind mag niet afhangen van de demografische evoluties in zijn of haar dorp”, stelt Vandromme.
Zes basisscholen starten op 1 september 2026 niet meer op, tegenover twee vorig schooljaar. Daarnaast starten 21 basisscholen een eerste genadejaar, tegenover slechts 16 vorig jaar. Ook het aantal scholen dat een tweede (en laatste) genadejaar ingaat, stijgt: van drie naar negen. Een genadejaar geeft een school die te weinig leerlingen telt, tijdelijk de kans om toch open te blijven.
Voor Vlaams parlementslid Loes Vandromme zijn de cijfers een duidelijk signaal dat er dringend moet worden gekeken naar de toekomst van basisscholen in regio’s waar de geboortecijfers dalen. “We moeten onderzoeken wat er in die regio’s gebeurt en vooral hoe we ervoor kunnen zorgen dat elk kind toegang blijft hebben tot kwaliteitsvol en bereikbaar onderwijs.” Het parlementslid verwijst daarbij ook naar het Vlaams Regeerakkoord dat hieromtrent een duidelijke ambitie bevat. “Het regeerakkoord stelt dat basisscholen zoveel mogelijk ingebed moeten zijn in de lokale leefgemeenschappen om de bereikbaarheid, betrokkenheid en sociale integratie van leerlingen te waarborgen. Er staat ook expliciet vermeld dat we die lokale verankering willen blijven garanderen. Dat is een belangrijk engagement. We moeten ons vandaag dus de vraag stellen hoe we dit in de praktijk garanderen. De minister moet de belofte uit het regeerakkoord ernstig nemen en hier concreet beleid tegenover zetten,” vindt Vandromme.
In de huidige regelgeving bestaan er al specifieke criteria voor scholen in landelijke en dunbevolkte gebieden, onder meer via extra omkadering. “Dat is goed, maar de cijfers tonen dat we verder moeten kijken,” zegt het parlementslid. Vandromme roept daarom op tot een gericht onderzoek naar regio’s waar de geboortecijfers structureel dalen.
“Welke regio’s krijgen de komende jaren met de grootste dalingen te maken? Welke scholen komen daardoor in de problemen? Wat betekent een schoolsluiting voor de afstand die kinderen moeten afleggen? En welke mogelijkheden hebben we om kwaliteitsvol onderwijs toch zo dicht mogelijk bij kinderen te organiseren? Dit onderzoek moet ons helpen om vooruit te kijken. Ik blijf het herhalen: het leerrecht van een kind mag niet afhankelijk worden van de demografische evolutie van zijn of haar dorp.”
Niet alleen kijken naar het aantal leerlingen
Volgens Loes Vandromme moeten we ook verder kijken dan cijfers en Exceltabellen: “Een school is meer dan het aantal leerlingen in de klassen. Een dorps- of wijkschool is ingebed in een gemeenschap. Het is een ontmoetingsplaats voor kinderen en ouders en die bijdraagt aan de leefbaarheid van een dorp of wijk. Scholen zorgen voor levendige dorps- en stadskernen, voor evenementen, voor samenhang en sociale cohesie. Als zo’n school verdwijnt, verdwijnen er meer verbindingen dan alleen die tussen leerlingen en leerkrachten.”
Toekomstperspectief voor kleine scholen
Eerder al lanceerde het parlementslid haar buurtscholenactieplan, met vijf concrete acties naar voren schuift om kleine en landelijke scholen, die met sluiting bedreigd zijn, wél een toekomst te geven.
Zo vraagt Vandromme onder meer om verder te kijken dan louter de leerlingenaantallen. “Basisscholen zijn de spil van het sociale leven in veel dorpen. Die sociale verankering moet mee in kaart genomen worden. Scholen spelen ook vaak een belangrijke rol in het organiseren van buitenschoolse kinderopvang, brugfiguren verbonden aan scholen hebben eveneens een maatschappelijke rol.”
Daarnaast ziet Vandromme mogelijkheid in slim gebruik van technologie om ook kleinere scholen toegang te geven tot expertise en hoogwaardig onderwijsmateriaal. Op vlak van investeringen in de schoolinfrastructuur en de financiering van scholen moet er meer rekening gehouden worden met de eigenheid van dorpsscholen. Vandromme ziet hierbij ook soelaas in bestuurlijke optimalisatie. Zo kunnen scholen de krachten bundelen om bijvoorbeeld administratie, personeelsbeleid en andere uitdagingen samen aan te pakken.
“Een school is meer dan een plek om te leren, het is de plaats waar mensen verbinding vinden. Kinderen, maar evengoed ouders, leerkrachten en buurtbewoners. Een school die sluit is een aderlating voor de lokale cohesie. Bovendien brengen potentiële sluitingen het leerrecht van leerlingen in die dorpen in het gedrang. Daarom willen we met cd&v een context creëren waarin ook scholen in dunbevolkte regio’s een toekomst hebben”, besluit Vandromme.