Na een zeer intensief traject werden de minimumdoelen voor het basisonderwijs vandaag in de plenaire vergadering gestemd.
Ik deel graag mijn tussenkomst die ik tijdens de vergadering bracht:
Wat heb je vandaag op school geleerd, zeg het eens, kleine Jan?
Niet alleen de Elegasten vroegen het zich af – het is een vraag van alle tijden. Aan elke schoolpoort, aan elk keukentafelgesprek, in elk gezin wordt die vraag gesteld. Door ouders, grootouders, tantes, buren.
Onderwijs leeft.
En het raakt iedereen.
Het is dan ook een zeldzaam thema waar werkelijk Jan en alleman vindt dat hij er iets over te zeggen heeft. En terecht. Want in een democratie bepalen we samen wat kinderen moeten leren. Niet met een duim omhoog of omlaag van een despoot, maar hier – in het hart van onze democratie, het parlement.
Vandaag keuren we nieuwe minimumdoelen goed voor het basisonderwijs.
Een belangrijke stap.
Een noodzakelijke stap.
Want de vorige eindtermen dateren van 1997 – dat is een andere eeuw.
Een tijdperk waarin kinderen nog hun encyclopedie moesten openslaan om iets op te zoeken.
Vandaag leven ze in een overvloed aan informatie – maar dat betekent nog niet dat ze automatisch kennis opbouwen.
Daarom kiezen we voor een kennisrijk curriculum:
- Omdat kennis cumulatief wordt opgebouwd: het ene haakt in op het andere.
- Omdat gedeelde kennis sociale cohesie bevordert: het geeft leerlingen een gemeenschappelijk referentiekader.
- En omdat het compenserend werkt: kennis verruimt de leefwereld van élke leerling, ongeacht thuissituatie of achtergrond.
Maar laat ons ook duidelijk zijn over het doel van onderwijs.
Minimumdoelen bepalen in grote mate het ‘wat’ dat onze scholen de komende jaren zullen aanreiken – al is dat ‘wat’ uiteraard niet volledig. Daarvoor hanteren we terecht de 70/30-verhouding: 70% minimumdoelen, 30% ruimte voor eigen pedagogische doelen.
Maar de kern van onderwijs ligt dieper.
We willen – meer dan ooit – inzetten op onderwijs dat gelooft in zijn kracht om de samenleving te versterken.
Onderwijs dat emancipatorisch werkt.
Onderwijs dat jongeren vormt tot krachtige persoonlijkheden, met een brede algemene vorming.
Onderwijs dat leerlingen voorbereidt om als volwaardige burgers te functioneren in onze samenleving én op de arbeidsmarkt.
Onderwijs van kwaliteit leidt tot jongeren die hun plek kunnen vinden in een snel veranderende wereld – maar ook tot jongeren die die wereld zélf durven en kunnen mee vormgeven.
Dat is de toetssteen: sociale mobiliteit, gelijke kansen.
Want pas als méér mensen – ongeacht hun afkomst – een stem krijgen in hoe onze samenleving eruitziet, pas dan slagen we in onze opdracht.
Onderwijs als motor van vooruitgang, gedragen door de leefomgeving, het gezin, en de samenleving als geheel.
Dát is waar we het voor doen.
Minimumdoelen vormen de kern, maar zijn geen allesomvattend keurslijf. Ze zijn een vertrekpunt, niet het eindpunt.
Ze vormen de basis voor het ‘wat’ dat onze scholen de komende jaren zullen aanreiken aan hun leerlingen – ingebed in een pedagogisch project, vormgegeven via leerplannen, gedragen door teams.
En de basis voor het wat ‘wat’ mag duidelijk, robuust en kwaliteitsvol zijn. Maar het mag ook niet verstikkend zijn.
Want minstens even belangrijk is het vertrouwen. Vertrouwen in de professionaliteit van onze leerkrachten en scholen. In hun vrijheid van onderwijs. In hun kracht om meer te doen dan het minimum.
En minimaal moet de helft van de onderwijstijd gaan naar Nederlands en Wiskunde. Daarnaast zijn er ambitieuze doelen voor Geschiedenis, Aardrijkskunde, wetenschappen en techniek, muzische vorming, lichamelijke opvoeding, ict en attitudes en Frans.
Voor wie nog vakantielectuur zoekt voor straks, kan ik zeker de visietekst bij de minimumdoelen aanraden. Pagina 386 Die visieteksten geven heel wat duiding bij hoe de experten in de commissie Muijs de minimumdoelen opgebouwd hebben.
Dat opbouwen is fundamenteel in het realiseren van de minimumdoelen.
Aardrijkskunde:
- Declaratieve kennis nodig over aardrijkskundige onderwerpen, met aandacht voor de precieze vaktaal: bv kenmerken van de aarde,
- Typische kaartvaardigheden worden aangeleerd met als doel dat alles ook geïntegreerd aan bod komt en dat er tijdens de lessen systematisch ook aardrijkskundige vragen gesteld worden. Ook tijdens andere vakken moeten leerlingen dus een plaats kunnen situeren op een kaart. Zo bouwt men verder op.
- Zo leren leerlingen de diversiteit en de verandering in plaatsen en gebieden herkennen.
Zo leren we dat de grootste woestijn niet de Sahara in Afrika, maar wel de Zuidpoolwoestijn, 14 miljoen km2, in Antartica.
Het is er extreem droog met heel weinig neerslag. Een woestijn wordt niet gedefinieerd door warmte, maar door droogte (weinig neerslag).
Het is niet mijn taak om les te geven vandaag, maar het is zeer boeiend om door de minimumdoelen te gaan. Om te zien hoe we leerlingen een brede kijk geven op het leven. Stil staan bij vrouwenrechten, bij duurzaamheid,…
We zijn niet lichtzinnig met dit dossier omgesprongen.
Er is lang, intens en ook moeilijk onderhandeld.
Ik heb me als mede-indiener steeds kritisch-constructief opgesteld. De tocht was niet altijd eenvoudig, maar die was nodig.
En het is dankzij die kritische blik dat we vandaag kunnen spreken van een evenwichtig en werkbaar kader.
We hebben vastgelegd wat voor ons als parlement de kwaliteitscriteria zijn:
- Ambitieus
- Kennisrijk
- Eenduidig interpreteerbaar
- Evalueerbaar
- Consistent
- Coherent
- Maar ook: haalbaar
En eerlijk? De schoonheidsprijs gaan we voor het proces misschien niet winnen.
Er was sprake van een regelgevend vacuüm, en dat maakte het opstarten moeilijk.
Maar het is belangrijker om te focussen op de bestemming dan op de hobbelige reis ernaartoe.
Daarom zijn ook een aantal amendementen essentieel geweest, zeker voor cd&v.
Wat was voor ons cruciaal?
-
Autonomie van de klassenraad
De klassenraad blijft autonoom. Ze kan beslissen dat een leerling het getuigschrift basisonderwijs krijgt, ook als niet elk individueel minimumdoel bereikt werd.
Dat is essentieel. Want leerlingen evalueren is meer dan een een lijstje afvinken. Wat wel moet: de secundaire school moet weten welke doelen nog niet bereikt zijn – maar daarvoor geldt al een motiveringsplicht. We vermijden bijkomende administratieve lasten.
-
Gelijkwaardige eindtermen
We zorgen ervoor dat scholen met een uitgesproken pedagogisch project binnen een kwaliteitskader eigen keuzes kunnen maken.
Niet zomaar ‘wat anders doen’, maar wel ‘gelijkwaardig’ op inhoudelijk, pedagogisch en didactisch vlak – mét transparantie en verantwoording, ook aan dit Vlaams Parlement.
-
Ook het buitengewoon onderwijs werkt voortaan met deze doelenset
Maar met ruimte voor het individueel aangepast curriculum. Zodat ook daar duidelijkheid én flexibiliteit samengaan.
-
Ruimte via de 70-30 regeling
Een zeer belangrijk signaal naar de scholen toe: 30% van de tijd blijft van hen.
Dat maakt eigen keuzes, lokale accenten, verdieping of verbreding mogelijk.
We hebben daarom ook 106 doelen geschrapt om het geheel werkbaar te houden.
-
De gefaseerde invoering
We vroegen, en kregen, ruimte en tijd voor de implementatie:
- De doelen zijn van toepassing vanaf 1 september 2025, niet “van kracht”
- In het zesde leerjaar wordt ten laatste in 2030 met alle doelen gewerkt
- Er is een gedoogperiode waarbij de inspectie geen negatief advies kan geven, net zoals we eerder deden bij het secundair onderwijs
Dat betekent geen vrijheid-blijheid, maar wel: realisme en vertrouwen in de praktijk.
Tegen het derde jaar na de goedkeuring moet elke school ermee aan de slag zijn, tegen het zesde jaar moet elk kind de doelen nastreven.
-
Monitoring en evaluatie
We houden de vinger aan de pols.
De memorie stelt duidelijk dat we de haalbaarheid én de vrijheid van onderwijs monitoren zoals bepaald in het kaderdecreet.
Dat is geen holle belofte, maar een opdracht.
- Samenwerking en ondersteuning
Want collega’s, papier is gewillig. Maar het is de leraar en het schoolteam die het moet waarmaken.
Een architect kan de mooiste plannen tekenen, maar als de aannemer het niet begrijpt, wordt het geen huis. En in onderwijs is die aannemer een gans team, een ploeg opbouwers. Ze hebben tijd nodig om iets kwalitatiefs op te bouwen. In kwaliteit zit niet voor niets tijd. Overlegtijd om over de leerjaren heel goed af te stemmen, tijd om te professionaliseren, tijd om samen te werken.
We behouden de pedagogische studiedagen, we investeren in leermateriaal, we zorgen voor een sterk kwaliteitskader.
We garanderen inspiratiescholen – géén A- of B-scholen – in verschillende contexten.
We voorzien extra middelen om drempels weg te werken.
We vergeten ook de leerkrachtopleiding niet – want we hebben meer dan ooit nood aan goed opgeleide leerkrachten. We zien professionalisering doorheen de loopbaan trouwens als een recht en een plicht.
En laat ons niet blind zijn voor het lerarentekort.
Een klas zonder leraar, dat is als een fanfare zonder dirigent: je hoort alleen valse noten. En je komt enkel tot leren in harmonie.
Ik wil eindigen met een oprechte dank.
Dank aan de experten, de administratie, de onderwijsverstrekkers, de koepels.
Maar vooral: een shout out naar alle leerkrachten en directeurs.
Ik voel bij velen goesting. Goesting om met deze doelen aan de slag te gaan.
Maar ik voel ook bezorgdheid, onzekerheid. Zeker in het kleuteronderwijs ligt er een grote uitdaging.
Laat me dit zeggen:
Wij kijken in Brussel mee –
niet om op de vingers te tikken,
wel om mee te lezen, mee te voelen, mee te ondersteunen.
We staan schouder aan schouder.
Deze goedkeuring is niet het eindpunt. Het is het begin van een traject, samen.
Een traject richting onderwijs dat elke leerling de kans geeft om uit te groeien tot een sterke, veerkrachtige persoonlijkheid.
Want dat is de essentie van onderwijs.
Niet alleen kennis, maar ook vorming.
Niet alleen cognitief, maar ook sociaal, emotioneel, persoonsvormend.
Onderwijs dat de samenleving sterker maakt.
Dank u wel.