Vlaams Parlementslid Loes Vandromme (cd&v) waarschuwt dat er extra aandacht nodig is voor het buitengewoon onderwijs bij de grote onderwijsvernieuwingen die momenteel op tafel liggen. Ze vraagt de minister om dringend meer duidelijkheid en garanties te bieden, zodat leerlingen in het buitengewoon onderwijs niet uit de boot vallen wanneer de nieuwe minimumdoelen, taalversterkende maatregelen en pioniersscholen worden uitgerold. Zeker als we willen evolueren naar “Scholen voor iedereen” op termijn, moeten we ook nu ook alle kansen grijpen om het gewoon en buitengewoon onderwijs beter op elkaar te laten afstemmen.
Volgens Vandromme komen er de voorbije maanden meer en meer signalen vanuit het werkveld dat de ‘ieder kind taalheld’-maatregelen momenteel voornamelijk focussen op het gewoon onderwijs. Daardoor dreigen scholen buitengewoon onderwijs en hun leerlingen structureel minder toegang te krijgen tot maatregelen die nochtans ook voor hun leerlingen een meerwaarde zouden hebben. “We investeren terecht al enorm in taalversterking, maar laten we die inspanningen ook uitbreiden naar álle leerlingen,” zegt Vandromme. “Als het beleid inzet op gelijke onderwijskansen, moet dat gelden voor alle leerlingen.”
Ook de implementatie van de nieuwe minimumdoelen zorgt voor bezorgdheid. Scholen uit het buitengewoon basisonderwijs geven aan dat de manier waarop de vernieuwing nu wordt uitgerold bijzonder veel druk zet op hun teams. Zij vragen ondersteuning op maat, die rekening houdt met de complexiteit van hun leerlingen en de realiteit in hun klasgroepen.
“De lat mag hoog liggen, maar scholen moeten de middelen en begeleiding krijgen om die lat te halen. Voor buitengewoon onderwijs betekent dat een aanpak die afwijkt van het model dat op maat van de leerlingen zonder extra zorgnoden is geschreven,” aldus Vandromme.
Daarnaast dringt een herziening van de minimumdoelen voor het buitengewoon secundair onderwijs zich op. Scholen, netwerken en experten geven aan dat een herziening noodzakelijk is om beter aan te sluiten bij de pedagogische realiteit en de brede talentontwikkeling van de jongeren. Ook hier ziet Vandromme vooral een positieve kans: “Door die doelen te vernieuwen, kunnen we het onderwijs nóg beter afstemmen op wat leerlingen nodig hebben om te groeien.” Ze verwijst ook naar de conceptnota die ze schreef om in het buitengewoon onderwijs de mogelijkheid te bieden om sociaal maatschappelijke training mogelijk te maken. De grote aantallen leerlingen die ongekwalificeerd uitstromen dwingen ons daar ook initiatieven te nemen.
Vandromme besluit:
“Het buitengewoon onderwijs en zijn leerlingen verdienen dezelfde ambitie, dezelfde ondersteuning en dezelfde kansen als het gewoon onderwijs. Dat is geen gunst, maar simpelweg wat elke leerling verdient. Op die manier kunnen we echt van ieder kind een taalheld maken, kan elk kind gekwalificeerd uitstromen.”